Familiegebeurtenis

Mijn grootouders van mijn vaderskant zijn vanuit Hoogerheide in 1919 naar Terwinselen gekomen om geld te verdienen in de mijnbouw. Grootvader, Cornelis Verbrugge is 66 jaar oud geworden en heeft als mijnwerker ondergronds gewerkt. Hem heb ik niet gekend want ik was 4 jaar toen hij overleed. Zijn vader was ‘arbeider’ en zijn vader en overgrootvader waren beiden winkelier en schoenmaker. De stamoudste Verbrugge is in 1807 in Brielle overleden. Heb nog geen geboortedatum of andere gegevens van hem kunnen vinden.

Grootmoeder, Maria Lempers, is daarentegen 99 jaar geworden en is in 1985 in het bejaardenhuis te Den Helder overleden. Zij was voor mij de drijfveer om me verder in de genealogie te verdiepen. Geboren in een keet in Halfweg, Haarlemmerliede en Spaarnewoude, als kind in Woensdrecht opgegroeid en met haar man begin 1919 naar het mijnwerkersdorp Terwinselen verhuisd. Terwinselen was destijds een dorp dat gedeeltelijk tot de gemeente Schaesberg behoorde en een deel hoorde bij de gemeente Kerkrade.

Onderstaande info over de keet waarin grootmoeder geboren is heb ik gehaald uit het boekje dat hierover verschenen is: Archiefbeheer Historisch Halfweg. 1863. ISBN9\789081139274 “Het was een lange keet van hout, zwart geschilderd of misschien wel geteerd, met een gebroken kap. (zie bijgevoegde plaatje). De keet lag aan de achterzijde van de fabriek nabij de bietenhopen aan de ene zijde en kolenbergen aan de andere. Deze keet stond er al in 1863 toen het hoofdgebouw van de suikerfabriek nog een statig gebouw was behorend tot het Hoogheemraadschap van Rijnland te Leiden. Het gemeenlandshuis Swanenburg.


In deze barak werden de seizoenarbeiders ondergebracht, mannen en vrouwen in gescheiden slaapzalen, met voornamelijk slaapplaatsen in stapelbedden. Het linker deel op de afbeelding laat zien dat daar het leefgedeelte was als keuken met wat tafels en stoelen. Misschien een wasruimte. Achter de kleine ruitjes ramen sliep men. Deze keet is tot 1914 in gebruik geweest. Eind 1913 werd er een gebouw van steen geplaatst van twee etages met kap waarin 218 mensen konden slapen; er was een keuken een schaftlokaal, een waslokaal en plaats voor een beheerder. Ook hier sliepen mannen en vrouwen gescheiden. In de campagnetijd kwamen steeds dezelfde groepen Brabanders en Zeeuwen naar de suikerfabriek om van begin oktober tot de kerst in de fabriek te werken. De lonen waren redelijk, zodoende kwam men graag terug.”

filmpje over de suikerbietenvervoer in vroegere jaren: https://www.youtube.com/embed/q3YuGaEknSg?rel=0

Mijn vader, Hein Verbrugge, oudste zoon uit een gezin van 8 kinderen, heeft voor de 2e wereldoorlog tijdens zijn militaire dienstplicht in Breda zijn vrouw, mijn moeder, Jeanne Krijnen leren kennen. Ze zijn in 1943 gehuwd. Iedere 14 dagen reed hij met de fiets vanuit Terwinselen naar Terheijden bij Breda, op en neer, om zijn geliefde te ontmoeten. Het contact was altijd maar kort want slapen in haar ouderlijk huis mocht destijds niet. Later werd hij tijdens zijn bezoekjes bij haar familie ondergebracht. Na militaire dienst is hij, zoals iedere Limburgse man destijds, ondergronds gaan werken bij de Staatsmijn Wilhelmina met een onderbreking om als vrijwilliger in Indonesië van 1945 tot 1948 te gaan ‘vechten’. Mijn oudste broer Henk is in november 1944 geboren en mijn vader liet mijn moeder toen met hun jonge spruit alleen achter. Hij heeft in verband met bijzonder moedig gedrag in 1948 de Bronzen Leeuw, een hoge Koninklijke onderscheiding, ontvangen van koningin Juliana. In Terwinselen zijn wij, hun 4 kinderen, allemaal opgegroeid en bijna letterlijk in de kolen groot geworden.

Een leuke anekdote over het opgroeien tussen de kolen. Begin jaren 60 heeft zich dit afgespeeld bij ons thuis in de Callistusstraat.

Mijn vader had vroege (ochtend-) dienst en zou direct nadat hij afgewerkt was met ons allen mee naar Terheijden gaan. Mijn grootouders van moederskant woonden daar en ik weet niet voor welke gelegenheid wij allen daarheen gingen. Toendertijd reisden we met het openbaar vervoer, immers weinigen hadden toen een auto. Vader douchte zich na het werk zoals iedereen destijds op zijn werk, de staatsmijn Wilhelmina. Onze moeder had ons allen laten wassen en de ‘zondagse’ kleding aan laten trekken. Alleen ma moest zich nog wassen en aankleden en was hiermee druk doende en was al wat gestresst of wij wel op tijd de bus en trein zouden halen. Wij kinderen waren, zoals kinderen zijn, wat balhorig en wilden nog buiten gaan spelen.

Wij woonden in een hoekwoning die een voorraadskelder had waar ook een wintervoorraad kolen lag. Op de trap naar de kelder stonden onze rolschaatsen die we wilden pakken. Mijn broer draaide aan de lichtschakelaar en er ontstond een enorme knal en vuur! Mijn moeder riep vanaf boven wat we aan het doen waren en mopperde nog wat. Ik riep toen dat de kelder in brand stond. Dat kon ze helemaal niet waarderen en kwam naar beneden en keek in de kelder waar de kolen inmiddels al vlam gevat hadden. Zij duwde ons allen naar buiten en trok een jas van de kapstok en rende naar de buren zodat die de brandweer konden informeren. Buiten kwamen de mijnwerkers langs die aan de middagdienst moesten beginnen en zagen mijn moeder. Inmiddels hadden de buren mijn moeder bij hun naar binnen gehaald. Wij moesten onze vader gaan afhalen en informeren over de brand. Toen hij nog op het mijnterrein was riep hij al naar ons dat hij wist wat er gaande was. De ‘koempels’, de lieverdjes, hadden mijn vader geïnformeerd dat zijn vrouw in haar blote kont op straat stond te kijken naar het bluswerk van de brandweer. Mijn moeder had in de haast een colbertjasje aangetrokken en dacht een lange jas gegrepen te hebben.

Bovenstaand verhaal wordt nooit meer vergeten en is de geschiedenis in gegaan. Niet alle verhalen zijn om te lachen of om als anekdote te vertellen. Lees op de vervolgpagina enkele voorbeeld verhalen die in onze stamboom vermeld staan. 

Het ongeluk zit vaak in een klein hoekje. Bovenstaand valt te lezen dat Charles Senechal 3x gehuwd is geweest. Door het overlijden van zijn 2de vrouw Marie Agnes Telier door een val in een put!

Ongetwijfeld zullen er veel verhalen zijn die we wel allemaal ooit meegemaakt of gehoord hebben. Iedere familie heeft wel ‘een kruisje’. Gebeurtenissen die niemand mag of hoeft te weten maar toch rondzingen.  Op zoek naar deze gebeurtenissen, annekdotes trieste of vrolijke verhalen waar we echt nooit meer aan willen denken maken of trots op zijn zoals we ons die herinneren. Het verhaal maakt het interessant en niet de cijfers, jaartallen of de namen.

Zie voor meer achtergronden en verhalen de volgende pagina Verhalen (be)- leven

Ga naar de GensDataPro stamboom

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Angelmay